Beste vrienden en volgers,
‘s Nachts begint het best hard te regenen . De regen klettert op het zeildoek van de tent. We hebben nu toch wel het echte expeditiegevoel. Ergens in de buurt klinkt een raar hees geluid. Wat zou dat zijn? Het gebalk van een ezel. Een ver gehuil. Het gejank van een dingo. Motorgeronk. Struikrovers? Vast niet. Donder en bliksem (tonnère et lumière). En dan moet je toch even naar the gents. Gelukkig is het even droog. De sequentie met de slippers en de broek kunnen we overslaan, want er is licht (een solar LED-lampje). De terugweg echter wordt een sprintrecord op slippers, laverend langs dikke tropische druppels, en terugduiken in de fijne warme slaapzak. Om acht uur, na de toast met jam en oploskoffie, ontmoeten we Ken Porter. Hij zal ons begeleiden op een wandeling met een praatje in de buurt van het township. Ken runt de zaken in Wallace Rockhole en is een joviale vijftiger met een fietsenrek in zijn mond waar een beste BSA in past. We feliciteren hem met de Australian Cup Final, die door zijn club is gewonnen afgelopen weekend. Je weet wel, dat voetbal met een eivormige bal en zonder hands. Ken wordt meteen nog jovialer. We stappen in zijn roestige Toyota Landcruiser, Madame Cathérine chique voorin, de Dutchies op de hondebankjes achterin, met honderd procent garantie op naar keuze een kopstoot bij het instappen, of een scheen tegen de trekhaak. We rijden even langs de rain gauge en zien de score van vannacht: 5.2 mm. Ken heeft ook nog een cattle station in de buurt en is in zijn nopjes, het gras voor zijn vleeskoeien zal weer lekker groeien, en problemen met bushfire zullen er niet zijn de komende weken. Er wasnogal wat schade aan waterpijpen in de buurt door de branden.
We komen aan bij een ondiep ravijn, en het begint weer te druppelen. Wallace Rockhole blijkt een holte in de rots te zijn aan het einde van het ravijn, een 20 minuten lopen verderop. De holte bevat altijd water. Vandaar dat hier sinds oude tijden aboriginals komen. Wallace Rockhole is dus ouder dan willekeurig welke stad in Nederland. Het heet ook anders, in de ‘langue aborigène’. Ook hier weer bewijzen van bewoning in de vorm van rock art, en diepe sporen in de rots van het slijpen van speerpunten. Ken vertelt ook over het reilen en zeilen van het township; dat de aboriginal, die deze tour zou doen, niet kwam opdagen vanmorgen, dat ie daarom niet betaald krijgt, maar toch ook niet de zak krijgt, want dat helpt ze niet. Over het feit dat de Australische regering de subsidie voor de kleinere townships aan het knijpen is, en dat dat de mensen naar de stad drijft, en ze verloren en aan de drank raken. Dat Wallace Rockhole relatief groot is en dus de dans een beetje ontspringt. Er is in de buurt een rehabilitation center voor licht veroordeelde aboriginals. Het is pas sinds omstreeks 1967 dat alle aboriginals citizenship kregen. En hij is getrouwd met Glenys, een aboriginal uit de buurt, en zijn zoon bezit geclaimd land (cattle station). We beginnen iets te begrijpen van het hele aboriginal gebeuren. Gisteren onderweg naar Wallace, stond er op de dirt road een auto met ingeslagen ramen, mensen eromheen en gedoe. ’There was a fight’. Nick belooft de politie in Alice te bellen (er is geen politie in Wallce). Ken: als er problemen zijn, is dat altijd mensen door mensen van buiten. De mensen hier doen dat niet. Terug in het township gaan we naar binnen in Ken’s Store/Art Center/Paint Shop. We mogen zelf een beetje schilderen aan een boekenlegger, wat thee drinken en babbelen met Glenys, die zelf bezig is aan een schilderij over honingmieren. Ze is al over de helft, en ze zegt dat het over ruim een week af zal zijn. Het is prachtig. Ken is ondertussen bezig om telefonisch aanvullende winkelvoorraad te bestellen, en een diavoorstelling over Wallace Rockhole op te starten, voorzien van Beethoven-muziek. Dat vindt hij zelf maar niets, maar wij wel. En de donkey van gisteren, die is van Ken. Veel te laat komen wij weer terug in het kamp. Nick is al klaar met hamburgers bakken voor de lunch, en we mogen hem helpen met afwassen en inpakken.
We gaan nog naar Standley Chasm, waar het sterk naar eukalyptusbomen ruikt (gaan we nooit vergeten), en een serene sfeer heerst. Na de hamburgers naar Simpson Gap, een in honderden miljoenen jaren door het water uitgesleten gat in de McDonald Range. De bedding van een van de zijrivieren van de Todd-rivier loopt erdoorheen, en er staat zowaar wat water in. Dit is de aangewezen plaats om de black-footed rockwallaby te spotten. We zien er waarachtig eentje op de rots zitten. Nick is echter diep teleurgesteld. Hij had ‘zijn’ toeristen er veel meer gegund. Nick wordt zowieso erg enthousiast als hij wildlife kan laten zien. Even later onderweg in de bus ziet hij een bearded lizard, stopt meteen en vat de varaan met tuinhandschoenen aan. Ze willen weleens woest worden, maar deze houdt zich koest. Na de show zet ie hem voorzichtig weer in het gras. ‘Off you go, sweetheart’. Ze noemen Nick ‘the lizard whisperer’.
Na nog een een fotostop bij Finley’s grave (stichter van de Flying Doctors), volgt een toch weer spijtig afscheid van Nick en van Katherine. We moeten met haar op de foto en mogen komen logeren in Zwitserland. Bon voyage, bon vacances, au revoir.
We arriveren tensloote bij B&B Alice Station, gebouwd van ... railway sleepers. Een verhaal apart, maar dat komt in de volgende aflevering.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten