Beste vrienden en volgers,
Vanuit Franz Josef rijden we langs de kust noordwaarts. Het weer klaart met de kilometer die we rijden op. Bij Ross stappen we even uit. Dit is een oud goudstadje uit de negentiende eeuw, en er is nog wat van de historie en goudkoorts bewaard gebleven. Goud wordt er evenwel niet meer gewonnen. Wellicht is er nog een gelukkige toerist die onverhoopt op een rijke vondst stuit. Wie wil, mag het proberen; je kan een goudpan huren en in de stroom zand gaan wassen. Als je maar geen bende achterlaat op het wandelpad.
Het goudzoeken begon altijd met het vinden van een knoertige goud-nugget zomaar in een beekje. Na het aanschaffen van de nodige flessen whisky (zonder water) om dit te vieren, werd de vindplaats algemeen bekend.
Als alle nuggets geraapt waren, begon het ‘gold panning’: je schepte een hap rivierbedding in je goldpan en begon het zand eruit te wassen, een beetje zoals je rijst wast en van ongerechtigheid ontdoet. Uiteindelijk bleef er wat goudstof over tussen de ribbels onderin je pan. Dat was hard werken voor weinig goud, maar toch de moeite waard.
Als alle goudstof uit de rivierbedding was gefilterd, werd het nog lastiger en waren er drastische methoden nodig. Het goud zat opgesloten in de sedimentlagen in de omgeving van Ross. Die werd in wateraangedreven houten goudwasapparaten geschept. Het water kwam van van een stuwmeer (zelf aanleggen) boven in de heuvels. Het water werd via goten in de heuvelwanden, en als het niet anders kon, met houten aquaducten, aangevoerd. De gouddelvers waren nu niet meer avonturiers, maar mensen in dienst van een maatschappij. Het scheppen was gevaarlijk, als je sedimentgroeve instortte kon je worden bedolven. Vandaar dat ze later gingen ‘sluicen’, met een soort brandweerspuit de sedimentlagen van een afstandje losspuiten. Er zat ook goud opgesloten in het kwartsgesteente, maar dat moest je eerst tot gruis beuken, voordat je kon gaan wassen. Op een gegeven moment was het de vraag wie er nou meer verdiende, de goudzoekers of de lui die voor het water zorgden.
Dit alles wordt je met tekstborden duidelijk gemaakt tijdens een mooie wandeling door het goudzoekersgebied. De hele omgeving is omgewoeld geweest en uitgegraven. Het grootste gat is een kunstmatig meer geworden, en de rest heeft men met een charmant bos beplant, er zijn veel Tui’s, zwarte vogels met een witte bel onder hun snavel, en die erg mooi kunnen zingen.
Hier en daar zijn nog resten van de goudindustrie te bekennen, verroeste waterpijpen, watergoten en houten stellages, dik onder het mos. Midden in het bos staat nog het hutje van een ‘hatter’. Een hatter was een goudzoeker, met hoed, die niet meer naar een ander goudveld wilde verhuizen, maar voor zichzelf een huisje bouwde, neerstreek en leefde van wat verbouwde bonen, damper (een soort brood gebakken in een gietijzeren pan), en bacon. En naar verluidt zichzelf waste met water in zijn hoed. Of niet. Er bestaat nog de uitdrukking 'as mad as a hatter'.
We komen nog langs het oude kerkhof van Ross, en vernemen dat het leven hier hard was en men jong stierf. Verder is er de goal, de gevangenis, uit 1915 en de houten brandweer klokketoren. In een houten goudzoekersstadje ging er weleens wat scheef.
In de haven van het verderop gelegen Hokitika kwamen de drommen goudzoekers indertijd per zeilschip aan. Tegenwoordig kan je er lunchen in cafe de Paris, edelstenen aanschaffen en inkopen doen in de supermarkt, voor je verblijf in Punakaiki. Onderweg wel oppassen voor overstekende pinguins.
We namen vanmorgen voor de zoveelste keer met spijt afscheid van een heerlijk plekje en fijne mensen. Maar niet getreurd: we zitten nu in Punakaiki aan zee, op ons eigen priveterras voor ons hutje in het zonnetje, en overzien de Tasman Sea, voorzover er geen nare palmen of cabbage trees in het blikveld staan. We hebben een gasbarbecue besteld bij Neil, en daar maken we een kippetje op klaar.
De romantische zonsondergang staat achter de horizon klaar, voor straks. En de Pancake Rocks? Die komen morgen wel aan bod.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten